Het ongelezen boek was dik en woog zwaar in mijn tas. Ik had het al heel lang in de kast staan. Ik wilde het graag nog een keer lezen.
Ooit.
Met de trein ging het sneller dan ik had verwacht richting Sciencepark en zo stond ik ruim op tijd in een megalomaan gebied wat te dwalen. Zonder kaart, want mijn telefoon was onverwachts leeggeraakt.
Ik liep direct mensen tegen het lijf die ook op zoek waren naar de club en samen vonden we een deur in het hoge servergebouw. Eenmaal binnen bleken er al snel veel meer “clubleden” te zijn dan ik ooit had verwacht. Ik had misschien beter moeten lezen. Het was tenslotte ‘een literaire avond op het snijvlak van kunst, vormgeving, literatuur en theater…. Een absurd kunstproject.’
Daan en Bart, denk ik, of Bob of Bas, met wie ik had gemaild, zaten achter de balie en deelden stickertjes uit. Blauwe en rode, want er viel vandaag wat te kiezen. Desgewenst mocht je een bijbehorend parfum opdoen. Ik begon te begrijpen dat de term “absurd kunstproject” hier geen loze kreet was.
Opgewekt liep ik door.
Ik kwam in een gezellige ruimte vol tafeltjes en een barretje met speciaal AI-bier en muntthee. Er stonden jonge mensen, verkleed als robot, enigszins warrig te bedienen. (Bedienen was misschien het juiste woord niet en robots waren het ook niet, want ze droegen een megabrede zilverfoliekraag en spierwitte pakken; nou ja, zo’n avond…)
Nadat ik een drankje had gehaald, ging ik bij iemand zitten. Een wat oudere Aziatische man. Ik legde mijn ongelezen boek voor me neer en we raakten zo al snel in gesprek. Over boeken. Over iemand bij het CPNB die op mij leek, over Simon Vinkenoog, over het Boekenbal waar hij vaak was geweest en waar hij naar eigen zeggen veel gefotografeerd had. Mulisch, Hermans, Blaman aardige mannen. Hij had ze allemaal op zijn lens gehad.
Het was een vrolijke, een beetje verlegen man, maar wel een prater. Ondertussen stroomde de zaal goed vol. Sommige mensen legden net als wij hun ongelezen boek voor zich op tafel. Maar het leken me meer ruilboekjes dan vergeten meesterwerken.
Over het programma wil ik verder niet te veel kwijt. Dit zijn gelegenheden waarbij je aanwezig moet zijn om de sfeer echt te proeven. Nou goed dan…
Eerst was er een loterij waarbij een aantal mensen uit het publiek toegangsplaatsen tot het servercentrum konden winnen. Dat ging via lootjes die in “cookies” verstopt zaten.
Daarna werd er een beeld geschetst van de bedreigingen van AI voor het boek. Hoe er tegenwoordig bijvoorbeeld uitgevers bestonden die wel 50 boeken per dag in hun eentje op de markt brachten, met titels die pas “geschreven” werden op het moment dat iemand ze bestelde en die niemand ooit las.
De zaal zuchtte in wanhoop.
Hierna werkten we in groepjes aan een leporello, een uitklapbaar boek waarbij iedereen één zin mocht opschrijven, waar de volgende op verder ging. Zo ontstond een doorlopend onzinverhaal (het zou vergelijkbaar zijn met hoe AI-taalmodellen te werk gingen).
Er was ook nog een fijne, rijke lezing van Mirjam Rasch, de filosofe.
Als laatste kwam de buitenactiviteit. We togen naar een graf in het gras van de tuin van het servergebouw. Daar had een sprookjesachtig meisje zich omringd door kaarsen en zich gehuld in een rode cape. Ze kwam niet goed uit haar woorden. De manuscripten en leporello’s, die allemaal nog zonder AI waren gemaakt, werden daar begraven in een tijdcapsule.
Het meisje veranderde ondertussen in een robot die foutloos haar teksten opdreunde. We mochten haar volgen voor een paar rondjes om het imposante servergebouw met koptelefoons op onze hoofden, waardoor een robotverhaal uit 1920 in meerdere versies weerklonk.
Tijdens het drinken van het speciale AI-bier en de muntthee voerden we hierna nog talloze gezellig gesprekken. Met elkaar en met de robots.